LRM heeft de leemte van de Limburgse mijngangen gevuld en ontgonnen. Met haar gedurfde visie, investeringen én geduld vermeed het 32 jaar geleden dat Limburg verschrompelde tot een provincie vol armoede en werkloosheid. LRM ontgon potentieel en speelde op een nooit eerder getoonde manier een voortrekkersrol in de creatie van het mooie Limburg dat we vandaag kennen: een gastvrije provincie waar het fijn is om te ondernemen, werken, wonen en leven. Voor velen is de rol die LRM daarbij opnam een goed bewaard geheim. Daarom een duik in de geschiedenis van het Limburgse mijnverleden, met uitlopers die je doen beseffen dat élke Limburger ook vandaag nog minstens één – maar wellicht heel wat – raakpunten heeft met LRM.
De geschiedenis van LRM stamt uit een eigengereid economisch verleden. In 1901 stootte professor André Dumont tijdens een proefboring op steenkool in As. Hij ontdekte er relatief dikke lagen met erg vette steenkool. De euforie was groot! Al snel transformeerden 7 dunbevolkte dorpjes tot uit de kluiten gewassen gemeentes, geconcentreerd in cités rond de schachtbokken, met een ware smeltkroes van nationaliteiten en culturen. Er was immers véél volk nodig om in de putten van Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Waterschei, Winterslag en Eisden te werken.

Een langgerekte doodsstrijd
Maar de mijnen slokten enorme hoeveelheden kapitaal op. In de jaren ’50 werd in de Europese steenkoolgebieden de alarmklok geluid en ook in Limburg moest de productie inkrimpen. In 1964 werd de mijn van Zolder ondergronds verbonden met die van Houthalen, om mijnwerkers op natuurlijke wijze te laten afvloeien. Vervolgens werd in 1966 de mijn van Zwartberg brutaal gesloten, wat bijzonder zwaar protest uitlokte. De regering moest tussenkomen en beloofde om nooit nog een mijn te sluiten, voordat er vervangende tewerkstelling geregeld was. Dit was dan ook het begin van een langgerekte doodsstrijd voor de vijf overgebleven Kempische steenkoolmijnen: Eisden, Waterschei, Winterslag, Beringen en Zolder.
Het doek viel
Fast forward naar 1986. In dat jaar werd Thyl Gheyselinck door de Belgische regering aangesteld als crisismanager. Zijn opdracht: een plan uitwerken om de laatste vijf Kempische steenkoolmijnen over een tijdspanne van maximaal tien jaar te sluiten. Gheyselinck kreeg daarbij een enveloppe van 100 miljard Belgische frank (2,48 miljard euro) voor de opvang van het sociaal en ecologisch passief, de instandhouding van de verplichtingen m.b.t. mijnschade en de opstart van een grootschalig economisch en sociaal reconversieplan.
De uitzonderlijke pensioenregelingen en vertrekpremies overtuigden echter veel meer mijnwerkers om te stoppen dan verwacht. In september 1992 viel het doek over de mijn van Zolder, de laatste Belgische mijn. Dankzij die versnelde mijnsluitingen hield Gheyselinck meer middelen over voor de reconversie van Limburg. Er zat nog om en bij de 25 miljard Belgische frank (620 miljoen euro) in de enveloppe. Gheyselinck sprak met de overheid af dat de nv Kempense Steenkoolmijnen (KS) dat geld mocht gebruiken voor nieuwe initiatieven in Limburg.

Donkere wolken boven Limburg
Dat geld was broodnodig. Want terwijl de mijnschachten vol beton werden gestort, gingen duizenden jobs verloren. De werkloosheidsgraad in Limburg moest en zou minstens op hetzelfde niveau komen als in de rest van Vlaanderen, net als de scholingsgraad. Daarnaast moesten er op korte termijn reconversies doorgevoerd worden in de getroffen streken.
En dus richtte Gheyselinck de Limburgse investeringsmaatschappij (LIM) op, dat risicokapitaal verstrekte aan ondernemers die in de mijnstreek investeringen planden en bijkomende tewerkstelling creëerden. Tegelijk ontwikkelde hij nog heel wat andere projecten én besteedde hij aandacht aan zaken die verder reikten dan enkel economische impact. Er bewoog dus heel wat in Limburg. Gheyselinck wilde niet alleen de geschiedenis ingaan als de man die de putten in Limburg sloot, maar vooral als de redder van Limburg. In 1991 diende Gheyselinck echter zijn ontslag in. Eén van de redenen: meningsverschillen binnen de raad van bestuur en de Vlaamse regering over zijn Educatief, Recreatief en Cultureel Project in Waterschei, één van zijn grootst geplande projecten. Zijn opvolger schroefde dat project terug tot een hoofdzakelijk toeristisch winkelproject met de nieuwe naam Fenix, maar ook dat project kreeg een negatief advies.
“Cegeka? Wellicht geen bijster interessant dossier…”
Parallel met de definitieve doodsteek voor Fenix, rommelde het bij de KS. Na grondig onderzoek besloot de Vlaamse Raad dat de reconversie van Limburg transparantere en eenvoudigere, door het Rekenhof gecontroleerde structuren nodig had. En zo werd op 1 februari 1994 – in het kader van een reorganisatie bij de Vlaamse overheid – LRM opgericht, met een startkapitaal van 250 miljoen euro (het resterende geld uit de enveloppe van Gheyselinck) en twee opdrachten: voormalige mijnsites een nieuwe bestemming geven en de Limburgse economie aanzwengelen door te investeren in bedrijven en groeisectoren.
Een reeks vzw’s werd opgedoekt en LRM kreeg het beheer over de nv Mijnen (de vroegere KS) en de participaties van LIM. Leuke anekdote: één van de allereerste participaties van LRM was Cegeka. “Geen bijster interessant dossier”, werd toen gezegd. Is dat even anders uitgedraaid, met vandaag meer dan 10.000 medewerkers op de payroll en ruim 2.500 klanten wereldwijd. Ondertussen ging LRM over de kaap van 1 miljard aan investeringen in bedrijven met Limburg-link en versterkt(e) het zo het economisch weefsel.

Onderwijs, natuur, cultuur en toerisme
Limburg had echter ook nood aan niet-rendementsgebonden investeringen. Daarom werd in 2002 de LISOM (Limburgse Strategische Ontwikkelingsmaatschappij) als dochter van LRM opgericht. Het grote nadeel was dat dezelfde mensen over zowel economische (LRM) als sociale (LISOM) dossiers moesten beslissen. Kort na het aantreden van Stijn Bijnens als CEO en Hugo Leroi als voorzitter van LRM werd daar komaf mee gemaakt. LISOM werd in 2008 opgedoekt en LSM (Limburg Sterk Merk) zag het levenslicht.
Sindsdien gaan de gerealiseerde winsten van LRM via de Vlaamse Overheid naar LSM, waar het bestuur beslist naar welke projecten met positieve maatschappelijke impact het geld gaat. Om je een idee te geven hoe ver die impact rijkt: tot nu toe keerde LRM al 403 miljoen euro uit. Zo helpt LRM dus mee met de realisatie van belangrijke Limburgse projecten m.b.t. onderwijs, natuur, cultuur en toerisme, zoals het poortgebouw op de Health Campus, de opstart van nieuwe opleidingen aan de UHasselt, PXL en UCLL en de fietsbeleving Fietsen door de heide.
Je kan dus stellen dat LRM de initieel ontvangen overheidsinleg van 250 miljoen euro al meer dan terugbetaald heeft via de dividenden.
Groen is het nieuwe grijs
Naast de investeringen in bedrijven en de dividenden, drukt LRM ook stevig haar stempel op Limburg via de reconversie van de oude mijnsites in Eisden, Beringen en Waterschei. Met Terhills in Eisden schrijft LRM één van de meest indrukwekkende en duurzame reconversieverhalen ooit. Vandaag zakken jaarlijks meer dan 1 miljoen toeristen af naar deze internationaal toeristische trekpleister.
Ook op be-MINE (Beringen), de grootste industriële erfgoedsite van Europa, regisseert LRM als aandeelhouder (49%) samen met Ciril en Van Roey Vastgoed de gedaanteverandering van donkergrijze site tot een schitterende groene plek met bijzondere aandacht voor natuur en biodiversiteit. Stedelijke functies zoals wonen, werken, winkelen, sport en ontspanning worden er naadloos geïntegreerd. De werken zijn nog volop bezig, maar be-MINE vormt nu al een toeristisch-recreatieve hotspot met jaarlijks 1,8 miljoen bezoekers.
De oude mijnsite van Waterschei werd dan weer omgedoopt tot Thor Park, dat LRM i.s.m. Stad Genk en KULeuven vandaag volop verder ontwikkelt. Naast gerenommeerde onderzoeksinstellingen vind je er start-ups, groeibedrijven én wereldspelers met focus op energie, maakindustrie en smart city applicaties.
En zo verandert het gitzwarte Limburgse mijnverleden in een zuurstofrijke voedingsbodem voor economische groei.

Duurzame insteek
De andere voormalige mijngebouwen werden met respect voor de geschiedenis gerestaureerd en kregen een nieuwe invulling. Verder rolde LRM verspreid over Limburg een netwerk van 7 incubatoren uit. Naast Thor Park geeft LRM momenteel nog vorm aan twee andere grote bedrijvencampussen. De eerste is Corda Campus (100% LRM), één van de meest tot de verbeelding sprekende projecten, mede dankzij de voormalige LRM-voorzitter Hugo Leroi. De tweede is Droneport (i.s.m. Brussels Airport Company en JK Invest), dat steeds meer gezien wordt als een belangrijk Europees knooppunt voor drone-innovatie, robotica, autonome en koolstofvrije mobiliteit en defensietoepassingen (dual use). Tot slot is LRM ook volop bezig met de ontwikkeling van bedrijventerreinen, waaronder Kristalpark III in Lommel.
De rode draad bij al onze (vastgoed)projecten? Die kleurt donkergroen. Alle groene stroom die momenteel voortkomt uit de windturbines en zonneparken waarin LRM (mee) het voortouw neemt, komt bijvoorbeeld overeen met het jaarverbruik van één derde van alle Limburgse gezinnen.
Ons werk is nog niet klaar
Sinds 2019 staat Tom Vanham als CEO aan het roer van LRM, geflankeerd door Mark Maesen als voorzitter en omringd door een gedreven groep van medewerkers. Allemaal samen creëren ze financiële, economische en maatschappelijke impact; met het oog op een nog mooier Limburg. Want het werk van LRM is nog lang niet klaar.
